::

beschrijfsels en gedachtenwier
ook al interesseert het je geen zier
toch lees je het hier

maandag 7 mei 2012

Een rijmpje

Op een dag verveelde ik me dood
ik dacht aan 't leven, dansen en bruin brood
Ik dacht ook aan jou en dat vond ik maar niets
Daarom schreef ik een rijmpje en reed wat op m'n fiets


dinsdag 24 april 2012

De tragiek van het kleine lepeltje

Het begon toen ze cornflakes moest eten met een klein lepeltje. Daar houdt ze niet zo van, van dat kleine lepeltje. Dat vindt ze te veel werk. Met een grote lepel gaat alles veel vlotter. Niet dat ze een opschepper wil zijn en al te grote happen tegelijk wil nemen, maar met dat kleine lepeltje voelt het zo delicaat. Zo voorzichtig. Kleine lepeltjes vindt ze iets voor desserts. Voor subtiele, kleine hapjes. Voor korte nipjes en snelle slurpjes. Om te proeven en van te genieten. En natuurlijk ook voor kleine kindjes, want zij hebben maar kleine mondjes. Nee, zo'n soeplepel, daar kan je pas mee eten. Hup, schep, hap en kauwen maar. Zo heeft ze het graag. Met een theelepel cornflakes eten, dat is een beetje valse bescheidenheid. En je voelt je ook zo'n bedotter met je kleine lepeltje in je hand, terwijl je van die miniatuurhapjes naar binnen speelt. Zo'n theelepeltje in zo'n groot hand, dat ziet er echt niet uit. Het is ook niet toevallig dat een soeplepel ook wel een eetlepel genoemd wordt. En zo'n klein lepeltje niet, dat noemen we theelepel of koffielepel. Niet cornflakeslepel. Want daar dienen die kleine lepeltjes ook niet voor, die dienen enkel om te roeren in je koffie. Met een eetlepel kan je zelfs niet roeren in koffie, dat is gewoon protserig. (En vermoedelijk ook klotserig. En dat is nergens goed voor.) Met een eetlepel weet je waar je aan toe bent en wat er van je verwacht wordt. Eten, jij daar! Kom, schep op die flakes! Zo'n hands-on mentaliteit kan je niet verwachten van iemand die cornflakes eet met een theelepeltje. Nee, zo iemand heeft z'n tijd nodig. Drie flakesjes per keer, dat vinden ze best, dat theelepeltjesvolk. Dan zitten ze daar, macrobiotisch herkauwend voor zich uit te staren. Bah, dat is niets voor haar. Daar wordt ze ontzettend nerveus van. Zij laat al eens haar tanden zien en hapt stevig door. Muizenhapjes daar krijg je ook gewoon kaakkramp van. En die kaakkramp daar heeft ze ook nu last van. Haar hele onderkaak is zo verkrampt dat ze al de hele dag niet kan lachen. En dat vindt ze jammer, want er zijn vast een hele hoop medemensen die haar daardoor vandaag maar een beetje een zuurpruim zullen vinden. "Heb je dat mens gezien? Die kan precies echt niet lachen!" Ze hoort ze het zo al fluisteren. Zomaar genomineerd als eersteklas zuurpruim. En dat allemaal omdat ze cornflakes moest eten met een klein lepeltje! Terwijl ze dat zo overpeinst, overvalt haar de tragiek van dat alles. Hoeveel zuurpruimen zijn er wel niet onterecht bestempeld als zuurpruim enkel en alleen omdat ze kaakkramp hadden van het ongewenst cornflakes eten met een klein lepeltje?! Ah, hoe triestig! En op dat moment beslist ze haar leven te beteren. Vanaf nu zal ze zuurpruimen het voordeel van de twijfel geven. En een reservesoeplepel bewaren in haar handtas, dat ook.

maandag 19 maart 2012

De man die altijd kwaad was

Hij kan er zelf eigenlijk niet aan doen, en hij denkt dat hij al altijd zo geweest is. Hij kan zich alleszins niet herinneren ooit eens niet kwaad te zijn. Hij kan zich ook niet eens voorstellen hoe dat zou zijn, zo niet kwaad zijn. Nee, hij wordt iedere dag wakker met een hele hoop woede in zijn lijf. Regenweer of zonneschijn, het kan hem allemaal geen hol schelen. Iedere dag is hij boos. Boos op zichzelf en op de mensen. Op de wereld. Op iedereen, en tegelijkertijd op niemand. Boos om glimlachende dames in de trein. Boos om fronsende mannen op de fiets. Het is niet dat hij niet vrolijk kan zijn, maar hij wordt er gewoon zo verdomde kwaad van. Op den duur merkt hij het niet meer, dat hij steeds weer vertoornd de deur uit gaat. Zelfs 's avonds alleen in zijn bed is hij woest. En niets kan hem soelaas brengen. Hij heeft het al geprobeerd, natuurlijk. Opstaan en een vrolijk wijsje fluiten, versgeperst sinaasappelsap drinken, vroeg gaan slapen, de krant niet meer lezen, glimlachen tot zijn kaken er pijn van doen. Het helpt allemaal geen zier. En eerlijk, hij wordt er gewoon nog nijdiger van. Veel vrienden heeft hij dan ook niet. Van al dat bevriend zijn gaat zijn bloed koken, zomaar, zonder dat ze iets verkeerd doen. Dat zorgt er natuurlijk voor dat hij eenzaam door het leven gaat. Al dat alleen zijn vindt hij eigenlijk best, al maakt het hem ook wat korzelig. Er zijn natuurlijk ook goede dagen. Dagen waarop hij gewoon wat nors is, wat nukkig of zo. Maar er zijn ook dagen waarop hij helemaal bloeddorstig is, zo van die dagen waarop alles gewoon te veel is. Dan zit hij te stomen op zijn vaste stekje in de trein. Zijn bruine, leren boekentas knelt hij stevig in zijn armen en hij staart stuurs kijkend voor zich uit. Zo zit hij daar ook deze ochtend, op weg naar zijn werk. Hoewel de meeste pendelaars al eens last hebben van een ochtendhumeur, verbleekt hun tijdelijke chagrijn bij zijn oneindige razernij. Terwijl hij onverstoord opgaat in zijn oeverloze toorn, merkt hij niet eens dat er tegenover hem een jong meisje komt zitten. Hij ziet niet dat ze naar hem glimlacht en dan meteen verlegen haar ogen neerslaat wanneer ze merkt dat hij haar negeert. Terwijl ze haar jas uitdoet, heeft hij geen oog voor de zonnestralen die goud doen weerkaatsen in haar haren. Hij let niet op haar ranke benen in glanzend bruine panty's, werpt geen blik op haar donkerblauwe jurkje, dat nauw aansluit om haar lijfje. Hij slaat geen acht op wat andere mannen schaamteloos likkebaardend zouden omschrijven als pronte tetjes en volle heupen. Nee, hij zit daar, armen gekruist, een frons op zijn gezicht, en heeft het veel te druk met ontzettend misnoegd te zijn. Het ontgaat hem dan ook volledig dat het meisje hem al een poosje verwonderd aankijkt. Haar blauwe ogen zijn groot van verwondering, een geamuseerde glimlach op haar gezicht. Hij beseft niet dat ze zich voorzichtigjes naar voren buigt en stoutmoedig even aan haar roze lippen likt. Zijn ogen blijven donker als donderwolken en hij heeft pas in de gaten dat ze hem vol op de mond zoent, wanneer hij haar lippen op de zijne voelt. Warm en zacht, en maar heel eventjes en dan is het weer voorbij. Hij schiet wakker en ziet nog net hoe ze prompt het compartiment uit wandelt. Verwonderd kijkt hij om zich heen en voelt dat hij vanbinnen begint te gloeien. Zijn hart lijkt zich op te blazen als een ballon, zo groot en bol dat het lijkt alsof het niet meer in zijn borstkas past. Zo groot en bol zelfs, dat hij zich even niet meer kwaad lijkt te voelen. En ontsteld voelt hij een glimlach opkomen. Hij lacht. Hij weet niet wat er gebeurt. "Hè, bah, wat melig", denkt hij bij zichzelf. Plots kan hij zich maar al te goed voorstellen hoe het voelt om niet meer kwaad te zijn. Hij huivert bij al dat sentiment, terwijl hij beseft dat die zoetsappige goedzak eigenlijk al altijd diep vanbinnen zat. En misschien vindt hij dat wel prima zo.

dinsdag 21 februari 2012

palingdroomdag

21 - 02 - 2012


maandag 13 februari 2012

Ze is nu lesbisch

Het overkomt ons allemaal wel eens. Je wandelt over straat, onbestemd aan het kuieren of net heel erg gefocust op je bestemming, hoe dan ook in gedachten verzonken, en plots kom je hem of haar tegen. De oude bekende. Een klasgenoot van in het middelbaar, iemand die nog bij je in de scouts gezeten heeft, een vriend die je uit het oog verloren bent. Zo iemand die je niet gewoon kan begroeten met een glimlach of een knik. Zelfs een 'hallo' of een 'hoi' volstaan niet. Nee, bij die oude bekende moet je even stilstaan en Het Gesprekje voeren. Dat korte uitwisselen van begroetingen en weetjes. Het Gesprekje begint steevast met een 'hoi' of een 'hey', waarop dan een 'ah, ik had je niet herkend!' kan volgen, ook al is het waarschijnlijk dat dat stiekem een leugen is. Dat doen mensen niet met opzet, ik heb er mijzelf ook al op betrapt. Dan komt het diepfilosofische en al even oprechte 'en hoe is het (nog)?', waarna je getrakteerd wordt op een 'en wat doe jij nu (nog)?'. Dat gaat telkens zo. Je hoort te vragen hoe het met de mensen gaat en wat ze aan het doen zijn. Ze zouden zo maar eens even bijzonder ongelukkig of doelloos kunnen zijn. Niet dat je daar echt iets over wil horen, natuurlijk. Daarom ben je ook maar al te blij dat het altijd 'ça va' of 'bwa, ja, goed' gaat met iedereen. Dan komt het heerlijke moment waarop je in geuren en kleuren kan vertellen wat je nu toch allemaal doet. Dat gaat meestal een beetje zo:

persoon 1: "Tgoh, ja, ik ben aan het werk."
persoon 2: "Ha, en waar dat?"
persoon 1: '"Bij een bedrijf dat ijzeren omheiningen verkoopt."
persoon 2: (ongeïnteresseerd) "Ah, allez, interessant, en wat moet je daar doen?"
persoon 1: (verveeld) "Administratieve dingen, en bestelbonnen verwerken en zo."

Wanneer je dan wat ongemakkelijk hebt moeten vertellen wat voor werk je hebt of (erger nog) net niet hebt, is het jouw beurt om te luisteren naar wat de oude bekende allemaal bezighoudt:

persoon 2: "Ik studeer nu nog iets bij. Nog een master."
persoon 1: (niet onder de indruk) "Amai, en wat doe je?"
persoon 2: "Conflict and development."
persoon 1: (heeft geen idee wat dat inhoudt) "Aha, en is 't interessant?"
persoon 2: (liegt) "Ja, 't is eigenlijk wel tof."

Wanneer je dan voldoende en oprecht geïnformeerd hebt naar het leven van de oude bekende, is het tijd om over te schakelen op oprecht informeren naar het leven van gemeenschappelijke oude bekenden. Het is immers veel interessanter om te weten hoe dat kneusje of die player uit je klas het nu stellen. Het is op dat moment dat Het Gesprekje echt fascinerend wordt, en al helemaal als het zo gaat:

persoon 1: "Ah ja, en wie zat er nog allemaal in onze klas? Floor?"
persoon 2: (enthousiast) "Ja, juist, Floor! Ik heb haar onlangs nog gezien."
persoon 1: (geboeid) "Ahja, en wat doet die nu nog?"
persoon 2: "Ze is nu lesbisch."