::

beschrijfsels en gedachtenwier
ook al interesseert het je geen zier
toch lees je het hier

Posts tonen met het label mooie verhalen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mooie verhalen. Alle posts tonen

maandag 19 maart 2012

De man die altijd kwaad was

Hij kan er zelf eigenlijk niet aan doen, en hij denkt dat hij al altijd zo geweest is. Hij kan zich alleszins niet herinneren ooit eens niet kwaad te zijn. Hij kan zich ook niet eens voorstellen hoe dat zou zijn, zo niet kwaad zijn. Nee, hij wordt iedere dag wakker met een hele hoop woede in zijn lijf. Regenweer of zonneschijn, het kan hem allemaal geen hol schelen. Iedere dag is hij boos. Boos op zichzelf en op de mensen. Op de wereld. Op iedereen, en tegelijkertijd op niemand. Boos om glimlachende dames in de trein. Boos om fronsende mannen op de fiets. Het is niet dat hij niet vrolijk kan zijn, maar hij wordt er gewoon zo verdomde kwaad van. Op den duur merkt hij het niet meer, dat hij steeds weer vertoornd de deur uit gaat. Zelfs 's avonds alleen in zijn bed is hij woest. En niets kan hem soelaas brengen. Hij heeft het al geprobeerd, natuurlijk. Opstaan en een vrolijk wijsje fluiten, versgeperst sinaasappelsap drinken, vroeg gaan slapen, de krant niet meer lezen, glimlachen tot zijn kaken er pijn van doen. Het helpt allemaal geen zier. En eerlijk, hij wordt er gewoon nog nijdiger van. Veel vrienden heeft hij dan ook niet. Van al dat bevriend zijn gaat zijn bloed koken, zomaar, zonder dat ze iets verkeerd doen. Dat zorgt er natuurlijk voor dat hij eenzaam door het leven gaat. Al dat alleen zijn vindt hij eigenlijk best, al maakt het hem ook wat korzelig. Er zijn natuurlijk ook goede dagen. Dagen waarop hij gewoon wat nors is, wat nukkig of zo. Maar er zijn ook dagen waarop hij helemaal bloeddorstig is, zo van die dagen waarop alles gewoon te veel is. Dan zit hij te stomen op zijn vaste stekje in de trein. Zijn bruine, leren boekentas knelt hij stevig in zijn armen en hij staart stuurs kijkend voor zich uit. Zo zit hij daar ook deze ochtend, op weg naar zijn werk. Hoewel de meeste pendelaars al eens last hebben van een ochtendhumeur, verbleekt hun tijdelijke chagrijn bij zijn oneindige razernij. Terwijl hij onverstoord opgaat in zijn oeverloze toorn, merkt hij niet eens dat er tegenover hem een jong meisje komt zitten. Hij ziet niet dat ze naar hem glimlacht en dan meteen verlegen haar ogen neerslaat wanneer ze merkt dat hij haar negeert. Terwijl ze haar jas uitdoet, heeft hij geen oog voor de zonnestralen die goud doen weerkaatsen in haar haren. Hij let niet op haar ranke benen in glanzend bruine panty's, werpt geen blik op haar donkerblauwe jurkje, dat nauw aansluit om haar lijfje. Hij slaat geen acht op wat andere mannen schaamteloos likkebaardend zouden omschrijven als pronte tetjes en volle heupen. Nee, hij zit daar, armen gekruist, een frons op zijn gezicht, en heeft het veel te druk met ontzettend misnoegd te zijn. Het ontgaat hem dan ook volledig dat het meisje hem al een poosje verwonderd aankijkt. Haar blauwe ogen zijn groot van verwondering, een geamuseerde glimlach op haar gezicht. Hij beseft niet dat ze zich voorzichtigjes naar voren buigt en stoutmoedig even aan haar roze lippen likt. Zijn ogen blijven donker als donderwolken en hij heeft pas in de gaten dat ze hem vol op de mond zoent, wanneer hij haar lippen op de zijne voelt. Warm en zacht, en maar heel eventjes en dan is het weer voorbij. Hij schiet wakker en ziet nog net hoe ze prompt het compartiment uit wandelt. Verwonderd kijkt hij om zich heen en voelt dat hij vanbinnen begint te gloeien. Zijn hart lijkt zich op te blazen als een ballon, zo groot en bol dat het lijkt alsof het niet meer in zijn borstkas past. Zo groot en bol zelfs, dat hij zich even niet meer kwaad lijkt te voelen. En ontsteld voelt hij een glimlach opkomen. Hij lacht. Hij weet niet wat er gebeurt. "Hè, bah, wat melig", denkt hij bij zichzelf. Plots kan hij zich maar al te goed voorstellen hoe het voelt om niet meer kwaad te zijn. Hij huivert bij al dat sentiment, terwijl hij beseft dat die zoetsappige goedzak eigenlijk al altijd diep vanbinnen zat. En misschien vindt hij dat wel prima zo.

dinsdag 1 november 2011

Het verhaal van Oostroze

Dit is het verhaal van Oostroze. Oostroze is een meisje met een bijzondere naam. Het zal niemand verbazen dat menig medemens al eens bedenkelijk fronst bij het horen van haar naam. "Oostroze? Wat is dat nu voor naam?", denken ze dan. Ze zeggen dat niet tegen haar, maar Oostroze ziet ze het denken. Zelf vindt ze haar naam best mooi. Er zijn tenslotte ook mensen die Frodo of Liesbeth heten. En het is niet alsof haar ouders haar zomaar Oostroze genoemd hebben. Oostroze is die roze kleur van de lucht bij zonsopgang. Je kent dat roze wel. Een oostelijk roze dat zachtjes overgaat in lichtgeel, warm oranje om dan uiteindelijk stilletjesaan te veranderen in een oogverblindend blauw. Dat haar ouders haar naar zo'n kleurenpracht genoemd hebben, vindt Oostroze wel leuk. Haar ouders konden eigenlijk geen betere naam gekozen hebben. Oostroze is een ontzettend kleurrijk en innemend meisje. Wanneer ze ergens binnenkomt, lijkt het soms alsof de kamer plots oplicht. Mensen krijgen een gezonde blos en hun gezichten klaren op wanneer ze met haar praten. Ze doet ogen fonkelen en haren glanzen. Zelf is ze zich daar niet van bewust, maar wie van haar geschitter genoten heeft wil zeker meer. Het is ook daarom dat Oostroze steeds omringd is door een hele hoop vrienden en kennissen. Iedereen zoekt haar gezelschap op. Dat vindt Oostroze gezellig en heel vriendelijk. Ze durft ook niet goed nee zeggen tegen al die drukte. Toch lijkt dat bezoek haar soms wat te vermoeien. Ze merkt wel dat ze na een bijzonder drukke dag simpelweg doodmoe is. En als ze zo afgemat is, ziet ze er net dat beetje minder stralend uit. In het begin viel het niet zo op en een na een goede nachtrust werd ze opgeladen en uitgelaten wakker. Maar na een tijd begint het toch te wegen. Oostroze lijkt veel van haar bijzondere gloed te verliezen. En haar vrienden lijken dan ook één voor één minder tijd te hebben. Soms zit ze zelfs een hele dag alleen thuis. Dat vindt Oostoze na verloop van tijd wat vreemd. Steeds vaker moet ze alleen op pad en zit ze in haar eentje ergens koffie te drinken. Dat doet haar nadenken. En piekeren. En ze maakt zich zorgen. Ze zit daar dan zo wat, alleen en fronsend naar haar tas koffie te kijken. Al dat overpeinzen is ook wel vermoeiend voor haar. Zonder dat ze 't zelf weet, verliest ze haar gestraal en geglans. Ze begint er zelfs dof uit te zien. Haar ogen schitteren niet meer en ze ziet er afgemat uit. Oostroze voelt zich triestig. 's Nachts ligt ze wakker in haar bed, ze ligt te draaien en kan niet slapen. Zo gaat dat iedere nacht. En telkens ziet ze de zon opkomen, ziet ze die grote oranje bol ronddobberen en goudgeel worden in een zee van roze, rood en helblauw. Iedere ochtend opnieuw komt de zon op en dat vindt ze een troostende gedachte. Ze zit op de vensterbank van haar slaapkamer uit het raam te turen. Zo voelt ze zich veilig. Met haar knieën opgetrokken en haar wang tegen het raamkozijn kan ze uren kijken naar de kleuren in de lucht. Eigenlijk wil ze niet veel anders doen dan het kleurenspel dat zich voor haar afspeelt in zich opnemen. Met grote ogen spiedt ze in het rond. Ze laat zich omsluiten door wat ze ziet. Ze laat zich vollopen met dieporanje en scherp blauw, laat zich zinken in een-alles-omringend geel, laat zich verdrinken in het warmste roze. Tot ze niet meer weet waar zij eindigt en de lucht begint. Tot ze zichzelf niet meer ziet, niet meer voelt en enkel de kleuren tellen. Tot Oostroze oostroze is.

dinsdag 11 oktober 2011

Episch liefdesverhaal

Het kan mijn trouwe lezers misschien wat verbazen, maar een tijdje geleden voelde ik mij plotsklaps genoodzaakt een liefdesverhaal te schrijven. Omdat iedereen wel eens wat in de pap te brokken heeft over De Liefde, vermoed ik. En ik ben niet zo heel anders dan iedereen, uiteraard. Jawel, ik schreef een echt liefdesverhaal. Dat lijkt misschien wat melig voor mijn gewone doen, maar ik kon de drang echt niet langer onderdrukken. Voor ik het goed en wel besefte, had ik al een pen in de hand en begon ik te schrijven aan zo'n echt lief liefdesverhaal. Zo eentje over een jongen en een meisje. Over hoe ze mekaar leren kennen. Over hoe hij haar diep in de ogen kijkt en zij alle besef van tijd verliest. Over hoe zij zijn nek zoent en hij niet meer wat boven of onder is. Over hoe ze enkel nog aan mekaar kunnen denken. Over hoe ze zich een wereld zonder de ander niet meer kunnen voorstellen. Zo'n liefdesverhaal dus. Ik besloot dat ik dan toch klaar was om een episch relaas over die universele Liefde neer te pennen. Het werd een pracht van een verhaal! Een verhaal dat alle lezers ontroeren zal en enkele zelfs een traan kan doen plengen. Maar, zo'n episch liefdesverhaal schrijf je niet op één-twee-drie, daar was ik me wel van bewust. Ik verrichtte dan ook eerst diepgravend opzoekwerk over het onderwerp. Er is namelijk al heel wat geschreven over De Liefde. Het één jammer genoeg al idioter dan het ander. Gelukkig heb ik hier en daar ook wat waardevol bronnenmateriaal kunnen verzamelen. Vol goede moed ging ik uiteindelijk echt aan de slag. Ik nam papier en pen ter hand en begon alvast geniale zinnen te bedenken. Dagen en uren heb ik daar zo gezeten. Lichtjes zwetend en af en toe met de handen in het haar. Het is nu eenmaal niet eenvoudig om zo een complexe gevoelens te verwoorden. Woorden kies je sowieso niet zomaar. Oeverloze overpeinzingen heeft het me gekost. Uiteindelijk begon het tij zich te keren. Na lang denkwerk en dankzij een aantal geniale ingevingen was het zover. Weergaloze zinsconstructies vormden zich op mijn blad. Speelse substantieven walsten met dartele adjectieven en bevlogen bijwoorden op de tonen van een ware werkwoordensymfonie. Er ontstond een symbiose van bijzinnen, nevenschikkend en onderschikkend schikten zich minzaam naast mekaar. Superlatieven speelden haasje-over en probeerden mekaar te overtreffen. Zo'n spitsvondig taaltoneel had ik nog nooit gezien. Ik zat er bij en ik keek er naar en ik zag dat het goed was. Vol bewondering keek ik naar mijn blad. Had ik die woordenpracht neergepend? Ik gaf mezelf een schouderklopje, dat leek me wel gepast, en keek nog eens goedkeurend naar het resultaat. En dat resultaat mag er zijn! Omdat ik met glans in mijn opzet geslaagd ben, kan ik ook niet anders dan het verhaal jullie te delen. Ook al weet ik dat sommigen onder jullie nogal gevoelig zijn als het over De Liefde gaat, toch hoop ik dat éénieder zich in dit geweldige verhaal zal kunnen herkennen. Geniet maar met volle teugen van dit prachtige vertelsel.


Een verhaal over De Liefde
door R.L.

Er waren eens een jongen en een meisje. Ze waren hele goede vrienden. Op een dag werden ze verliefd op elkaar. Toen ging alles mis. Einde.

dinsdag 20 september 2011

Flirten met doperwten

Zijn naam is Diederik. Hij is een heel gewone man. Hij heeft bruine haren en bruine ogen. Geen gezicht dat je lang bijblijft, al heeft hij wel een nette, parelwitte glimlach. Net als alle andere, heel gewone mannen gaat hij iedere dag werken. Hij werkt als leraar Schakeltechnieken op een heel gewone school. Daar geeft hij keurig zijn lessen, van 's ochtends tot 's avonds. Hij maakt zich niet te vaak kwaad, maar hij laat zich ook niet zomaar doen. De leerlingen hebben hem wel graag, denkt hij. 's Avonds als hij naar huis gaat, doet hij heel gewone dingen. Hij gaat naar de winkel en koopt iets om te eten. Omdat hij niet zo'n type is dat zich graag laat verrassen, kiest hij steevast hetzelfde. Snijbonen. Steeds uit dezelfde winkel. Vlees of aardappelen eet hij niet. Hij eet enkel snijbonen. En dat vindt hij best zo, best wel gewoon. Snijbonen zijn ook wel bovenste beste groenten. Mooi groen, zoals de soortnaam doet vermoeden, en heel het seizoen door verkrijgbaar, zelfs al moeten ze van Kenia komen. Hij vindt snijbonen best lekker. Niet dat dat altijd zo geweest is. Vroeger had hij een enorme hekel aan groenten en zeker aan alles wat bonen zijn. (Sojascheuten konden nog net door de beugel.) Maar op een dag, zomaar een heel gewone dag, veranderde hij van mening. Sindsdien eet hij dagelijks zijn portie snijbonen. In het begin was dat bijzonder spannend. Hoe zouden ze deze keer smaken? Zouden ze weer zo mooi groen zijn? En wat met de cuisson? Iedere hap was een moment van extase, van spanning en sensatie. Gewoon nog maar richting kassa wandelen met zijn snijbonen in de hand deed het water al in zijn mond lopen. Zijn hartslag versnelde als de kassierster hem een "goede avond nog" wenste en op weg naar huis kon hij zijn ogen niet van de snijbonen afhouden. Sinds die eerste maanden is er nu al weer een hele poos verstreken. Hij eet nog steeds iedere dag snijbonen, maar aan de kassa geen knikkende knieën meer. Geen verwachtingsvolle blikken, geen zweterige handen aan het stuur op weg naar huis. Nu is het een rustige tred, een kalme hartslag en zo gaat dat iedere dag zijn gangetje. Hij eet zijn snijbonen zonder er veel bij na te denken. Omdat hij dat zo gewoon is en dat vindt hij oké. Waarom zou hij ook nadenken over die snijbonen? Het is niet alsof hij iets tekort komt, toch? Tot hij plots op een dag wat vermoeider dan normaal naar huis gaat. Hij lijkt wat geprikkeld, maar hij weet niet hoe het komt. In de winkel lopen de mensen hem voor de voeten. Hij lijkt wel gehaast. Zijn voeten brengen hem niet als op andere dagen automatisch naar de groente afdeling. Het is bijzonder onverwacht wanneer hij plots vertraagt in de gang met de conserven. Voor hij het goed en wel doorheeft, staat hij oog in oog met een blik doperwten. Conserven vindt hij eigenlijk maar niks, maar dit blik doperwten trekt om de een of andere reden zijn aandacht. Wat een leuk etiket. Hij neemt het blik voorzichtig uit het rek en weegt het in zijn hand. Hij schrikt er zelf een beetje van. Wat een fijn gevoel. En dan neemt hij een impulsieve beslissing. Hij laat zich leiden door zijn gevoel. Hij neemt het blik doperwten mee naar de kassa. Zijn ademhaling versnelt. Op de weg naar huis glimlacht hij nerveus en wordt helemaal zenuwachtig bij het idee dat hij straks misschien wel doperwten zou kunnen eten. Zover komt het niet. Wanneer hij thuiskomt, zet hij het blik kordaat in de kast. Hij is toch zeker niet gek? Plots doperwten beginnen eten? Dat gaat zomaar niet! Die avond ligt hij te woelen in zijn bed. Hij heeft honger, maar wil niet opstaan. Hij ligt te piekeren over al die nieuwe gevoelens, hij weet er geen blijf mee. Hij knijpt zijn ogen dicht en fluistert "doperwt" tegen het donker. Hij houdt wel van de klank van dat woord. Het ploffen van de dop, het rollende van de erwt. Het ronde van de o en het zachte van de w. Doperwt. Doperwt. Hij herhaalt het woord steeds weer. Tot hij met een gelukzalige glimlach in slaap valt. De volgende ochtend wordt hij als herboren wakker. Hij voelt zich beslist niet meer gewoon. Hij heeft nog steeds hetzelfde bruine haar en dezelfde bruine ogen, maar om zijn parelwitte tanden ligt nu een herwonnen glimlach. Hij voelt zich stilletjesaan weer tot leven komen. Hij vormt ronde o'tjes en zachte w'tjes met zijn lippen tijdens het scheren. Gezwind gaat hij de trap af en haalt het blik doperwten uit de kast. Hij trekt het open aan het ijzeren ringetje. Oh, wat een heerlijk geluid is dat. Wel oppassen voor die scherpe rand. Met zijn lievelingslepel tast hij toe. Oh, ze zijn zo groen. En zo rond. De erwtjes rollen over zijn tong. Met volle teugen geniet hij en lepelt hij in een mum van tijd het blik helemaal leeg. Het groene genot zindert nog na. Maar terwijl hij zijn lippen aflikt, voelt hij een ongemakkelijk gevoel naar boven sluipen. Het vertrekt van boven zijn navel, langs z'n maag, zo naar boven tot het een krop in zijn keel vormt. Wat heeft hij gedaan? Zo gulzig, zo schaamteloos. Stilletjesaan groeit het besef dat hij wellicht nooit meer snijbonen zal kunnen eten als voordien. Nooit meer genieten van de knapperigheid, de verfrissing van verse snijbonen. Een algemeen gevoel van weemoed overvalt hem wanneer hij inziet dat hij afscheid zal moeten nemen van zijn geliefde snijboon. Van de spanning van die eerste keren. Van de jaren die ze samen zo gewoontjes doorbrachten. Hij schudt het hoofd en kijkt het lege blik met tranen in de ogen aan. Hoe moet het nu verder? Hij slikt zijn verdriet door en denkt na. Doperwten eten in de plaats van snijbonen? Dat is geen keuze die hij zomaar maken kan. Nietsvermoedend flirten met groene groenten kan verstrekkende gevolgen hebben, dat beseft hij nu maar al te goed. Hij staat in zijn kille keuken, slaat zijn armen om zich heen, sluit zijn ogen en mompelt: "Vaarwel snijboon, ik ga je missen."

Laat dit dieptreurige relaas een waarschuwing zijn voor éénieder die op een roekeloze manier groenten koopt! Denk aan Diederik. En aan zijn snijbonen. En aan zijn doperwten.

donderdag 18 augustus 2011

Verliefd op een monster

Ik ben verliefd op een monster, dat onder mijn bed woont. Zijn pels heeft lange blauwe haren. Zijn kop is groot en rond. Hij heeft diepgroene ogen zo bol als een knikker. Met die ogen volgt hij mijn voeten, die door de kamer wandelen. Hij heeft een enorme mond met wel 78 tanden en ook een grote rode tong. Met die grote mond sabbelt hij soms op mijn pantoffels. Hij heeft grote poten met lange, scherpe klauwen. Met die klauwen krabt hij aan de onderkant van mijn matras. Hij heeft ook een hele lange staart met een punt op het einde. Met die staart bonkt hij op de grond, de hele nacht door.
Dat monster woont daar nu al vijf jaar. Plots zat ie daar onder mijn bed, ik had hem niet eens uitgenodigd, en sindsdien is ie niet meer weggegaan. Als hij honger heeft dan grolt hij heel erg luid en roept hij: "HONGER! IK HEB HONGER!" Dan geef ik hem snel wat te eten of hij slokt mijn kussen op. Als hij aandacht wilt dan gromt hij onophoudelijk en briest hij: "AANDACHT! IK WIL AANDACHT!" Dan lees ik snel een verhaaltje voor, of hij bijt in mijn tenen.
En af en toe, als het monster heel erg kwaad is, dan spreekt ie wel vijf dagen niet meer tegen mij. Dan kijkt hij boos vanonder het bed en laat zich niet meer horen. Als ik dan te dicht kom, dan hapt hij naar mijn enkels.
Zo leven mijn monster en ik, al vijf jaar knusjes tesamen. En dat gaat best goed zo. Maar zo nu en dan, als mijn monster weer eens boos is, dan wou ik toch dat hij wat kleiner was. En wat minder scherpe klauwen had. En wat minder enge tanden. En zo nu en dan, wou ik dat mijn monster liever was. En pluiziger. Een monster dat zelf ook verhaaltjes voorleest, in plaats van te bijten. Bestaan er eigenlijk wel zo'n monsters? Zijn zo'n monsters niet gewoon verzonnen dan?
Soms wil ik liever zo'n snoezig monster om mee te knuffelen en te lachen. Zo nu en dan. Zo af en toe. Als dat nu eens kon?

zaterdag 5 februari 2011

Willem en Willem

Wat zou het toch gemakkelijk zijn als alle goeie verhalen begonnen met "er was eens...". Dan weet je op voorhand al dat het verhaal het lezen waard is en er een grote kans is dat je een happy end te wachten staat. En dan zou ik mijn verhaal gewoon zomaar kunnen beginnen met "er was eens" en al van de eerste zin weten dat dit iets goeds gaat worden. Maar helaas, zo werkt het niet. En toch denk ik dat dit verhaal er eentje is, dat verteld moet worden. Zo één van die verhalen, waar mensen echt iets aan hebben. Of het nu vrolijk eindigt of niet.

Dit is het diepdroeve relaas van twee vrienden, Willem en Willem. Willem woonde in het huis naast dat van Willem in het kleine dorpje, waar ze samen opgroeiden. Ze gingen naar dezelfde school en zaten in dezelfde klas. Soms droeg Willem Willems boekentas op weg naar school. En soms droeg Willem Willems boekentas. Ze aten samen, ze speelden samen op de schommel en ze werden tesamen verliefd op juf Katrien. Het leek er een beetje op dat ze zo wat alles deelden, behalve hun achternaam dan. Willem Peperzak en Willem Zeepkakker werden samen groot, en groter en ouder en wijzer. En toen kwam de dag waarop ze ieder gingen studeren in de grote stad. En zoals ze gewoon waren, kozen ze dezelfde studierichting. De Willems verdiepten zich in de Nautische Wetenschappen. Willem Peperzak was erg goed in Scheepsbouw en Willem Zeepkakker was erg goed in Navigatieproblematiek. Hadden ze toen al geweten, dat dit kleine onderscheid tot een fatalistische wedijver zou leiden, hadden ze waarschijnlijk andere beslissingen genomen. Willem Peperzak ging bij een catamaranclub en begon aan de bouw van zijn eigen catamaran. Hij werkte hard en nam zijn project erg serieus. Willem Zeepkakker sloot zich aan de studentenvereniging Nautulus en leerde nieuwe vrienden kennen. Op die manier raakten de twee boezemvrienden beetje bij beetje vervreemd van elkaar. Na een tijd zagen de Willems elkaar enkel nog bij het vak Baggervaart. Hoewel ze het niet wouden toegeven, voelden ze zich ieder schuldig en droevig dat hun vriendschap aan het verwateren was. Willem was te trots om toe te geven dat hij Willem miste. En Willem voelde zich een beetje opzijgeschoven door Willems nieuwe vrienden. Ze begonnen ieder hun eigen weg op te gaan. Willem Peperzak won een prestigieuze catamaranrace en werd aangesteld als voorzitter van zijn catamaranclub. En bij succes hoort natuurlijk ook een meisje en het duurde niet lang voordat Victoria uit de les Maritiem Spaans Willems vriendinnetje werd. Ondertussen ging het met Willem Zeepkakker niet te best. Omdat hij opgegroeid was in een klein dorpje en één hele goede vriend had, was het Willem nog nooit opgevallen dat zijn achternaam bijzonder grappig was. Wanneer hij zich voorstelde, begonnen mensen te gnifflen en soms zelfs te gibberen. Het duurde een tijdje vooraleer hij doorhad waarom zijn naam zo grappig was (hij was Zeepkakker gewoon, hij was er dan ook mee opgegroeid) en het overviel hem allemaal een beetje. Sociale situaties kregen een nieuwe dimensie voor Willem. Het voortdurende geplaag en gegrinnik achtervolgde hem en hij werd er ontzettend paranoïde van. In de loop van het derde jaar sloot hij zich thuis op en kwam hij amper buiten. Hij ging zelfs niet meer naar Zeerecht, dat nochtans zijn lievelingsvak was. Ondertussen ging het Willem Peperzak voor de wind. Hij en Victoria gingen samenhokken en hij werd steeds bekender als een voornaam catamaranist. In tegenstelling tot Zeepkakker was Peperzak niet zo'n belachelijke naam, maar wel minstens even opvallend. Het was dan ook daarom dat Willem bijzonder populair werd en de welluidende bijnaam Pepie kreeg. Natuurlijk kreeg Willem Zeepkakker in de gaten dat zijn vroegere boezemvriend zo in de smaak viel met zijn speciale achternaam. Dat zette kwaad bloed bij Willem en het liet hem niet los. Waarom was Peperzak niet belachelijk en Zeepkakker wel? Hij begreep het niet en vond dat Willem hem verraden had, dat hij hem had moeten waarschuwen voor de verregaande gevolgen van de achternaam Zeepkakker. Pepie was zich van geen kwaad bewust. Zijn leven ging z'n gewone, vrolijke gangetje. Het zou onwaar zijn te zeggen dat hij niet heel af en toe met pijn in het hart dacht aan zijn uit het oog verloren vriend Willem, wiens boekentas hij nog gedragen had op weg naar school. Maar vele weken werden maanden en Willem Peperzak vergat Willem Zeepkakker. En vele maanden werden jaren, maar Willem Zeepkakker vergat Willem Peperzak niet. In tegendeel. Hij werd steeds kwader en steeds wraakzuchtiger, tot op een dag de stoppen doorsloegen. Willem bedacht een plan om Willem ten onder te doen gaan. Op de dag van de jaarlijkse catamaranderby 'Wind en Water' sloop hij de loods van Willem Peperzaks catamaranclub binnen en sjoemelde met de spinnaker van de catamaran van Willem. Nog geen drie uur later, een uur na het startschot van de race, sloeg het noodlot toe. Willem zag hoe Willem een ongelijke doodstrijd leverde met zijn zinkende catamaran en lachte maniakaal. Ploeterend in het ruime sop hoorde Willem een duivelse lach. Voor hij goed en wel besefte dat die lach hem bekend voorkwam, zonk hij weg in het water. Alles werd zwart en Willem zag hoe hij en Willem als kinderen samen speelden en samen schommelden. En hoe hij soms Willems boekentas droeg op weg naar school. En hoe Willem soms zijn boekentas droeg op weg naar school. En toen was het voorbij. En Willem Zeepkakker leefde nog lang en ongelukkig, want zijn naam bleef lachwekkend, met of zonder Willem Peperzak.

Dit diepdroeve en bijzonder vertederende verhaal schreef ik in het kader van een "lang uitgedacht en behoorlijk prestigieus samenwerkingsverband" (dixit Vincent) met Vanafhierisalleswathetlijkt.

donderdag 3 februari 2011

Vruchtbaarheid

Vandaag was een bijzonder vruchtbare dag. Ik heb wel vaker vruchtbare dagen natuurlijk, maar dat is niet meteen wat ik bedoel. Ik heb het over zo'n dag, zo'n echt opvallende dag, die je een tijdje bijblijft. Op zo'n dag ontdek je al eens iets, kom je iets te weten of leer je iets bij. Sterker nog, op een dergelijke vruchtbare dag komen al die dingen tesamen! En net zo'n dag had ik vandaag. Ik ben heel wat verhelderende dingen te weten gekomen en heb vele fascinerende ontdekkingen gedaan. Vandaag was zo'n dag, en dat wil ik delen met iedereen. Het is altijd goed om verhelderende dingen te delen met zoveel mogelijk mensen. Ja, "samen delen" (zoals Samson en Gert al zeiden) het is een universele waarde, dat is duidelijk. Maar goed. Je vraagt je ondertussen al af wat voor geweldigs ik allemaal heb meegemaakt. Voor het Goede Verstaan en de Logische Gang Van Zaken zal ik mijn dag enigzins chronologisch uiteenzetten. (Maar niet te chronologisch, want eigenlijk geloof ik niet in chronologie. Net zoals ik ook niet geloof in semantiek. Dat geheel terzijde, want dat zijn geen nieuwe inzichten uiteraard!)
Mijn dag begon vrij laat, zoals het een goede werkloze (lees: werkzoekende) betaamt. Ik liet mijn teddybeer alleen achter in het bed en ging krantlezencornflakesetenkoffiedrinken. Dat doe ik zo vaak dat ik er graag 1 werkwoord van zou maken. Tijdens het krantlezen werd ik bijna wat weemoedig. De krant brengt namelijk alleen slecht nieuws en dat is nogal triestig. Maar mijn neerslachtige bui ging snel voorbij toen ik besefte dat ik een projectje te voltooien had. Ik ging namelijk een nieuwe lamp ophangen. Hier deed ik mijn allereerste levenvooraltijdveranderende ontdekking: het bruine draadje en het rode draadje zijn dan toch niet hetzelfde! Dat ontdekte ik na een goed uurtje prutsen en groot was dan ook mijn teleurstelling toen ik zag dat de lamp nog altijd niet wou branden. Maar het helpt niet om daarbij stil te staan en te treuren over je mislukking. Veel interssanter vind ik mijn ontdekking over de draadjes. Daar kan je nu eens echt nog iets mee doen later, dacht ik dan. Mijn volgende onthutsende ervaring heeft ook zo'n fantastisch inzicht tot gevolg gehad en zal zeker nog van pas komen in de toekomst. Later op de dag (want dat hoort zo bij chronologische verhalen) bevond ik mij in een niet nader te noemen winkel. Het was niet zo een doodgewone winkel, maar een winkel met allemaal biologische en dure producten. Want de natuur wil ook wel eens wat, toch? Tijdens het winkelen viel mijn oog op een bijzonder product: Rokerssiroop. "Kijk eens aan, een siroop voor rokers!" dacht ik bij mezelf, "en wat doet die dan?" Het etiket leerde mij iets fascinerends: "versterkt de longen door de jarenlange opgestapelde teerlaag te reinigen" en "deze siroop maakt het de rokers mogelijk meer vrij te ademen" Allemaal dankzij alantwortel en malrovekruid! En als je dat niet gelooft dan doen ze wel twee andere zelfverzonnen kruiden in een flesje. Dit is zonder twijfel een waardevol inzicht en ik ben een beetje verbaasd dat dit niet algemeen bekend is. Maar daar wil ik graag verandering in brengen en daarom dus dit relaas over mijn vruchtbare dag. Andere boeiende ontdekkingen deed ik op het internet. Dat is sowieso de plek bij uitstek om dingen te weten te komen. Meestal dingen die je echt niet wou weten (zie whale fart), maar soms ook echt nuttige weetjes. Zo ben ik nu de trotse eigenaar van allerlei nieuwe kennis. Ik weet nu dat Willem Peperzak een widesse gluiper was. (Later meer over die Willem Peperzak.) Al deze nieuwe kennis moet dringend mentaal verwerkt worden door middel van meditatie en een overvloedige alcoholconsumptie. Dat is immers de beste manier om Echt Belangrijke dingen zo lang mogelijk te onthouden. Ik raad eenieder van jullie dan ook aan om mijn voorbeeld te volgen. Zo rap mogelijk.

Tschüss!

maandag 5 juli 2010

Nagel op de kop

Beste Margot,
Vandaag las ik je stukje op de voorpagina van De Morgen. Je schrijfsel was zoals steeds een parel van pathos, je woordkeuze fris en verfrissend, je zinnen kleine beetjes epiek. Maar je schrijven is meer dan een mooie vorm, natuurlijk. Niet alleen de knappe verpakking telt, je slaagt er ook in telkens opnieuw een boodschap mee te geven. Een inhoudelijke diepgang, die menig filosofisch levensgenieter jaloers kan maken. Die aandoenlijke tranche de vie, waarin éénieder van ons zich kan herkennen. Dat universele, maar toch ook unieke, maakt je stukjes zo tastbaar. Petje af, echt waar. Je schrijven van vandaag ging over liefde. Een gewaagd onderwerp, al zeg ik het zelf. Maar zoals steeds lukt het je om dat algemeen bekende en toch ook hoogst persoonlijke gevoel in iets concreet om te zetten. Iets herkenbaar, waar we ons allemaal mee kunnen identificeren. Meer nog, het geeft ons ook een nieuw inzicht over ons eigen leven. Want je besluit is zó nagel op de kop. Onvoorstelbaar hoe je daar in slaagt. Er zit zoveel waarheid in die ene vraag, en op die manier houdt je proza ons een spiegel voor, waarin we onszelf kunnen ontdekken. "Want zou de mens überhaupt nog handelen, als leven en liefde twijfel noch sterfelijkheid kenden?" Je retorische talent kent geen grenzen, zoveel is duidelijk. Het is verhelderend om zo'n inzichten te kunnen lezen in de krant, zomaar op de voorpagina. We worden verwend. We krijgen die kleine levenswijsheden gewoon zomaar iedere ochtend op onze deurmat geplaceerd. Ik ben er zeker van dat éénieder gediend is met de banale, en tegelijkertijd ook wereldse, kennis, die je ons biedt. Daarom wil ik je bedanken, Margot. Niet alleen voor een fantastisch brokje taalgenot, maar ook voor de boodschap die je meegeeft. Bedankt!

vrijdag 26 maart 2010

Voor Margot

Gemist
Het is half acht 's ochtends. De ochtendspits maakt van het station een mierennest van haastige mensen. Een doelbewuste wirwar van alle leeftijden. Mannen in maatpakken zwaaien met hun aktetassen, zich haastend naar het perron. Vrouwen op hoge hakken banen zich een weg op de trappen. De trein komt bijna aan. Nog vier minuten. Aan de trap staat een groepje studenten, klaar voor een vroege les. Nog drie minuten. Het groepje kijkt ongeduldig in het rond, alsof ze iets aan het zoeken zijn. Nog twee minuten. De trein rijdt het station al binnen en onrustige ogen schieten van links naar rechts. Er ontbreekt nog iemand. Nog één minuut. Enkele studenten stappen al op, de rest blijft aarzelend aan de deur staan. De conducteur fluit. Samen met gehaaste laatkomers stappen ze dan toch de trein op, zij als allerlaatste. Tegelijkertijd komt de jongen eindelijk de trap op. In zijn handen twee koffies, één voor hem en één voor haar. Één zwart, één met melk. Alletwee dampend warm. Ze ziet nog net hoe hij richting deur snelt, maar die schuift onherroepelijk dicht. Daar staan ze dan. Hij buiten en zij binnen. Zachtjes glijdt de trein weg, terwijl ze verontschuldigend naar mekaar glimlachen.


Dit geniale stukje alledaagse, zeemzoeterige weemoed schreef ik in opdracht van mijn klasgenote Sophie en is opgedragen aan Margot Vanderstraeten.
Tschüss!