Zijn naam is Diederik. Hij is een heel gewone man. Hij heeft bruine haren en bruine ogen. Geen gezicht dat je lang bijblijft, al heeft hij wel een nette, parelwitte glimlach. Net als alle andere, heel gewone mannen gaat hij iedere dag werken. Hij werkt als leraar Schakeltechnieken op een heel gewone school. Daar geeft hij keurig zijn lessen, van 's ochtends tot 's avonds. Hij maakt zich niet te vaak kwaad, maar hij laat zich ook niet zomaar doen. De leerlingen hebben hem wel graag, denkt hij. 's Avonds als hij naar huis gaat, doet hij heel gewone dingen. Hij gaat naar de winkel en koopt iets om te eten. Omdat hij niet zo'n type is dat zich graag laat verrassen, kiest hij steevast hetzelfde. Snijbonen. Steeds uit dezelfde winkel. Vlees of aardappelen eet hij niet. Hij eet enkel snijbonen. En dat vindt hij best zo, best wel gewoon. Snijbonen zijn ook wel bovenste beste groenten. Mooi groen, zoals de soortnaam doet vermoeden, en heel het seizoen door verkrijgbaar, zelfs al moeten ze van Kenia komen. Hij vindt snijbonen best lekker. Niet dat dat altijd zo geweest is. Vroeger had hij een enorme hekel aan groenten en zeker aan alles wat bonen zijn. (Sojascheuten konden nog net door de beugel.) Maar op een dag, zomaar een heel gewone dag, veranderde hij van mening. Sindsdien eet hij dagelijks zijn portie snijbonen. In het begin was dat bijzonder spannend. Hoe zouden ze deze keer smaken? Zouden ze weer zo mooi groen zijn? En wat met de cuisson? Iedere hap was een moment van extase, van spanning en sensatie. Gewoon nog maar richting kassa wandelen met zijn snijbonen in de hand deed het water al in zijn mond lopen. Zijn hartslag versnelde als de kassierster hem een "goede avond nog" wenste en op weg naar huis kon hij zijn ogen niet van de snijbonen afhouden. Sinds die eerste maanden is er nu al weer een hele poos verstreken. Hij eet nog steeds iedere dag snijbonen, maar aan de kassa geen knikkende knieën meer. Geen verwachtingsvolle blikken, geen zweterige handen aan het stuur op weg naar huis. Nu is het een rustige tred, een kalme hartslag en zo gaat dat iedere dag zijn gangetje. Hij eet zijn snijbonen zonder er veel bij na te denken. Omdat hij dat zo gewoon is en dat vindt hij oké. Waarom zou hij ook nadenken over die snijbonen? Het is niet alsof hij iets tekort komt, toch? Tot hij plots op een dag wat vermoeider dan normaal naar huis gaat. Hij lijkt wat geprikkeld, maar hij weet niet hoe het komt. In de winkel lopen de mensen hem voor de voeten. Hij lijkt wel gehaast. Zijn voeten brengen hem niet als op andere dagen automatisch naar de groente afdeling. Het is bijzonder onverwacht wanneer hij plots vertraagt in de gang met de conserven. Voor hij het goed en wel doorheeft, staat hij oog in oog met een blik doperwten. Conserven vindt hij eigenlijk maar niks, maar dit blik doperwten trekt om de een of andere reden zijn aandacht. Wat een leuk etiket. Hij neemt het blik voorzichtig uit het rek en weegt het in zijn hand. Hij schrikt er zelf een beetje van. Wat een fijn gevoel. En dan neemt hij een impulsieve beslissing. Hij laat zich leiden door zijn gevoel. Hij neemt het blik doperwten mee naar de kassa. Zijn ademhaling versnelt. Op de weg naar huis glimlacht hij nerveus en wordt helemaal zenuwachtig bij het idee dat hij straks misschien wel doperwten zou kunnen eten. Zover komt het niet. Wanneer hij thuiskomt, zet hij het blik kordaat in de kast. Hij is toch zeker niet gek? Plots doperwten beginnen eten? Dat gaat zomaar niet! Die avond ligt hij te woelen in zijn bed. Hij heeft honger, maar wil niet opstaan. Hij ligt te piekeren over al die nieuwe gevoelens, hij weet er geen blijf mee. Hij knijpt zijn ogen dicht en fluistert "doperwt" tegen het donker. Hij houdt wel van de klank van dat woord. Het ploffen van de dop, het rollende van de erwt. Het ronde van de o en het zachte van de w. Doperwt. Doperwt. Hij herhaalt het woord steeds weer. Tot hij met een gelukzalige glimlach in slaap valt. De volgende ochtend wordt hij als herboren wakker. Hij voelt zich beslist niet meer gewoon. Hij heeft nog steeds hetzelfde bruine haar en dezelfde bruine ogen, maar om zijn parelwitte tanden ligt nu een herwonnen glimlach. Hij voelt zich stilletjesaan weer tot leven komen. Hij vormt ronde o'tjes en zachte w'tjes met zijn lippen tijdens het scheren. Gezwind gaat hij de trap af en haalt het blik doperwten uit de kast. Hij trekt het open aan het ijzeren ringetje. Oh, wat een heerlijk geluid is dat. Wel oppassen voor die scherpe rand. Met zijn lievelingslepel tast hij toe. Oh, ze zijn zo groen. En zo rond. De erwtjes rollen over zijn tong. Met volle teugen geniet hij en lepelt hij in een mum van tijd het blik helemaal leeg. Het groene genot zindert nog na. Maar terwijl hij zijn lippen aflikt, voelt hij een ongemakkelijk gevoel naar boven sluipen. Het vertrekt van boven zijn navel, langs z'n maag, zo naar boven tot het een krop in zijn keel vormt. Wat heeft hij gedaan? Zo gulzig, zo schaamteloos. Stilletjesaan groeit het besef dat hij wellicht nooit meer snijbonen zal kunnen eten als voordien. Nooit meer genieten van de knapperigheid, de verfrissing van verse snijbonen. Een algemeen gevoel van weemoed overvalt hem wanneer hij inziet dat hij afscheid zal moeten nemen van zijn geliefde snijboon. Van de spanning van die eerste keren. Van de jaren die ze samen zo gewoontjes doorbrachten. Hij schudt het hoofd en kijkt het lege blik met tranen in de ogen aan. Hoe moet het nu verder? Hij slikt zijn verdriet door en denkt na. Doperwten eten in de plaats van snijbonen? Dat is geen keuze die hij zomaar maken kan. Nietsvermoedend flirten met groene groenten kan verstrekkende gevolgen hebben, dat beseft hij nu maar al te goed. Hij staat in zijn kille keuken, slaat zijn armen om zich heen, sluit zijn ogen en mompelt: "Vaarwel snijboon, ik ga je missen."
Laat dit dieptreurige relaas een waarschuwing zijn voor éénieder die op een roekeloze manier groenten koopt! Denk aan Diederik. En aan zijn snijbonen. En aan zijn doperwten.
dinsdag 20 september 2011
donderdag 18 augustus 2011
Verliefd op een monster
Ik ben verliefd op een monster, dat onder mijn bed woont. Zijn pels heeft lange blauwe haren. Zijn kop is groot en rond. Hij heeft diepgroene ogen zo bol als een knikker. Met die ogen volgt hij mijn voeten, die door de kamer wandelen. Hij heeft een enorme mond met wel 78 tanden en ook een grote rode tong. Met die grote mond sabbelt hij soms op mijn pantoffels. Hij heeft grote poten met lange, scherpe klauwen. Met die klauwen krabt hij aan de onderkant van mijn matras. Hij heeft ook een hele lange staart met een punt op het einde. Met die staart bonkt hij op de grond, de hele nacht door.
Dat monster woont daar nu al vijf jaar. Plots zat ie daar onder mijn bed, ik had hem niet eens uitgenodigd, en sindsdien is ie niet meer weggegaan. Als hij honger heeft dan grolt hij heel erg luid en roept hij: "HONGER! IK HEB HONGER!" Dan geef ik hem snel wat te eten of hij slokt mijn kussen op. Als hij aandacht wilt dan gromt hij onophoudelijk en briest hij: "AANDACHT! IK WIL AANDACHT!" Dan lees ik snel een verhaaltje voor, of hij bijt in mijn tenen.
En af en toe, als het monster heel erg kwaad is, dan spreekt ie wel vijf dagen niet meer tegen mij. Dan kijkt hij boos vanonder het bed en laat zich niet meer horen. Als ik dan te dicht kom, dan hapt hij naar mijn enkels.
Zo leven mijn monster en ik, al vijf jaar knusjes tesamen. En dat gaat best goed zo. Maar zo nu en dan, als mijn monster weer eens boos is, dan wou ik toch dat hij wat kleiner was. En wat minder scherpe klauwen had. En wat minder enge tanden. En zo nu en dan, wou ik dat mijn monster liever was. En pluiziger. Een monster dat zelf ook verhaaltjes voorleest, in plaats van te bijten. Bestaan er eigenlijk wel zo'n monsters? Zijn zo'n monsters niet gewoon verzonnen dan?
Soms wil ik liever zo'n snoezig monster om mee te knuffelen en te lachen. Zo nu en dan. Zo af en toe. Als dat nu eens kon?
Dat monster woont daar nu al vijf jaar. Plots zat ie daar onder mijn bed, ik had hem niet eens uitgenodigd, en sindsdien is ie niet meer weggegaan. Als hij honger heeft dan grolt hij heel erg luid en roept hij: "HONGER! IK HEB HONGER!" Dan geef ik hem snel wat te eten of hij slokt mijn kussen op. Als hij aandacht wilt dan gromt hij onophoudelijk en briest hij: "AANDACHT! IK WIL AANDACHT!" Dan lees ik snel een verhaaltje voor, of hij bijt in mijn tenen.
En af en toe, als het monster heel erg kwaad is, dan spreekt ie wel vijf dagen niet meer tegen mij. Dan kijkt hij boos vanonder het bed en laat zich niet meer horen. Als ik dan te dicht kom, dan hapt hij naar mijn enkels.
Zo leven mijn monster en ik, al vijf jaar knusjes tesamen. En dat gaat best goed zo. Maar zo nu en dan, als mijn monster weer eens boos is, dan wou ik toch dat hij wat kleiner was. En wat minder scherpe klauwen had. En wat minder enge tanden. En zo nu en dan, wou ik dat mijn monster liever was. En pluiziger. Een monster dat zelf ook verhaaltjes voorleest, in plaats van te bijten. Bestaan er eigenlijk wel zo'n monsters? Zijn zo'n monsters niet gewoon verzonnen dan?
Soms wil ik liever zo'n snoezig monster om mee te knuffelen en te lachen. Zo nu en dan. Zo af en toe. Als dat nu eens kon?
maandag 4 juli 2011
Quote
"Maar waar woorden, metaforen en symmetrieën zelfstandig samenspannen, heeft de schrijver het nakijken."
A.F.Th. van der Heijden (DM, zat. 11/06/11)
maandag 20 juni 2011
Praten met poëzie
Beste fijnproevers van talige spitsvondigheid: juicht en jubelt! Waarom, vraagt u? Dat zal ik u weldra vertellen. Maar laat me eerst volledig onnodig, en toch onvermijdelijk, even iets helemaal anders schrijven om de spanning wat op te drijven. Zo. Nu dat achter de rug is, kan ik verder gaan met het onthullen van mijn heuglijke nieuws. Het is weer een hele poos geleden, maar eindelijk ben ik nog eens aan het dichten gegaan. En laat het duidelijk wezen dat het hoognodig was! Mijn vele talige talenten bezorgden mij te pas en te onpas literaire oprispingen. Gelukkig bleef ik wel gespaard van lyrische flatulentie. Er is heus niets ergers dan lyrische flatulentie. Zelfs ongeneeslijke ziektes of racisme kunnen een dergelijk euvel niet evenaren. Ik mag dus van geluk spreken dat het niet zo ver gekomen is, en wel omdat ik tijdig mijn oprispingen wist om te zetten in een wonderlijk gedicht. Net zoals al mijn poëtische parels is ook dit exemplaar eentje om U tegen te zeggen. Al weet ik niet zeker of het wel gezond is om gedichten met U aan te spreken. Als je dan toch tegen gedichten gaat praten, lijkt het me best ze te tutoyeren. Zeker mijn gedichten, want dat zijn geen stijve harken. Dit geheel terzijde en enkel ter informatie voor de eenzaten die tegen gedichten praten. Niet dat ik neerkijk op mensen die tegen poëzie praten. Ik heb soms ook de neiging om terug te praten tegen de televisie of de radio. Waarom zou dat dan met het geschreven woord niet hetzelfde zijn? Het lijkt misschien wat triestig om 's ochtends te keuvelen met de krant, want het is niet alsof die ooit een zinnig woord terug zegt. Maar ik ken meer dan genoeg mensen die ook met dieren praten en die antwoorden ook nooit. Dat is bijzonder onbeleefd, maar wat doe je eraan? Kranten en dieren, het is één pot nat. Het lijkt me dan maar niet meer dan normaal dat de bizarre medemens al eens een onderonsje houdt met een mooie rijm of leuk versje. Ik zou het eigenlijk best wel een compliment vinden, mocht iemand een gesprekje voeren met een van mijn verzen. Al is dat op het internet van vandaag toch niet zonder gevaren. Ik kan me meteen voorstellen hoe zoiets verkeerd zou kunnen gaan.
(een olijk Gedicht kijkt minzaam in het rond) (Plots komt daar een bizarre medemens aangeklikt)
Bizarre medemens: Hallo lief klein gedichtje, wat doe jij hier zo alleen op deze blog?
Gedicht: (kijkt argwanend) Euh... Niets bijzonders.
Bizarre medemens: Voel jij je ook soms zo alleen op de wereld? Vast niet hè, met al die geniale gedichten en fantastische zinnen om je heen?
Gedicht: Welja, dat valt inderdaad reuzegoed mee. 'T is aangenaam vertoeven op deze blog.
Bizarre medemens: Vind je 't erg als ik je ook wat gezelschap hou dan? Ik heb namelijk niet zo veel vrienden.
Gedicht: (ironisch) Nou, dat verbaast me.
Bizarre medemens: Echt? Wauw, dat is lief dat je dat zegt. Zeg, vind je 't goed als ik wat dichter kom? Je ziet er echt zo lief uit.
Gedicht: (in paniek) Euh, ik heb toch wel wat ruimte nodig om poëtisch te kunnen zijn. Misschien moet je wat meer afstand houden.
(Bizarre medemens kruipt dichterbij)
Gedicht: (boos) Hé toe, stop daarmee!
Elaba, wat is dat daar? Wie valt er hier mijn gedichten lastig? Hup, weg, bizarre medemens, ga ergens anders onschuldige poëzie lastigvallen! Eenzame griezel. Het is me wat met die poëdofielen van tegenwoordig. Altijd maar het internet afschuimen op zoek naar nietsvermoedende, kwetsbare gedichten. Hopelijk zal mijn nieuwste creatie gespaard blijven van zulke zieke geesten. Zodus, liefhebbers van luisterrijke lyriek: lees en geniet! (Maar met mate.)
zonsopgang
gouden gensters kleuren
kleien wangen
winters rood
roze vingers vegen
strepen stof langs
lege velden vlas
dan dwarrelt oranje
over alles alles neer
neemt bonte bossen mee
met grauwe grassen
doet dansen in indigo
zonlicht zomaar elke
ellendige ochtend opnieuw
(een olijk Gedicht kijkt minzaam in het rond) (Plots komt daar een bizarre medemens aangeklikt)
Bizarre medemens: Hallo lief klein gedichtje, wat doe jij hier zo alleen op deze blog?
Gedicht: (kijkt argwanend) Euh... Niets bijzonders.
Bizarre medemens: Voel jij je ook soms zo alleen op de wereld? Vast niet hè, met al die geniale gedichten en fantastische zinnen om je heen?
Gedicht: Welja, dat valt inderdaad reuzegoed mee. 'T is aangenaam vertoeven op deze blog.
Bizarre medemens: Vind je 't erg als ik je ook wat gezelschap hou dan? Ik heb namelijk niet zo veel vrienden.
Gedicht: (ironisch) Nou, dat verbaast me.
Bizarre medemens: Echt? Wauw, dat is lief dat je dat zegt. Zeg, vind je 't goed als ik wat dichter kom? Je ziet er echt zo lief uit.
Gedicht: (in paniek) Euh, ik heb toch wel wat ruimte nodig om poëtisch te kunnen zijn. Misschien moet je wat meer afstand houden.
(Bizarre medemens kruipt dichterbij)
Gedicht: (boos) Hé toe, stop daarmee!
Elaba, wat is dat daar? Wie valt er hier mijn gedichten lastig? Hup, weg, bizarre medemens, ga ergens anders onschuldige poëzie lastigvallen! Eenzame griezel. Het is me wat met die poëdofielen van tegenwoordig. Altijd maar het internet afschuimen op zoek naar nietsvermoedende, kwetsbare gedichten. Hopelijk zal mijn nieuwste creatie gespaard blijven van zulke zieke geesten. Zodus, liefhebbers van luisterrijke lyriek: lees en geniet! (Maar met mate.)
zonsopgang
gouden gensters kleuren
kleien wangen
winters rood
roze vingers vegen
strepen stof langs
lege velden vlas
dan dwarrelt oranje
over alles alles neer
neemt bonte bossen mee
met grauwe grassen
doet dansen in indigo
zonlicht zomaar elke
ellendige ochtend opnieuw
woensdag 15 juni 2011
Dagboek van een infiltrante
Nu mijn werkzoekende dagen al een tijdje achter de rug zijn, staat er mij een nieuwe uitdaging te wachten. En wat voor een! Je zou denken dat ik gewoon zomaar een job aangenomen heb, omdat er zich nu eenmaal niet zoveel andere kansen voordeden. Mooi niet! Bij deze job hoort namelijk ook een bijzondere opgave, een extra dimensie als het ware. Ik heb me voorgenomen om te infiltreren en te proberen om geloofwaardig over te komen in een softwarebedrijf. Wie mij kent, weet wel dat ik niet gedijen kan in een al te saaie omgeving. Ook al omdat ik allergisch ben aan met de computer werken. En laat nu net dat doen alsof ik me aanpas de grootste uitdaging zijn. Ik ben mezelf namelijk aan het aanleren hoe ik moet doen alsof ik erbij hoor en alsof ik ook een nerd ben. Tussen ons gezegd en gezwegen, dat infiltreren is eigenlijk de enige echte reden dat ik daar aan de slag gegaan ben. Want iedereen weet dat technical en writer antoniemen zijn.
Hoe geloofwaardig overkomen in een softwarebedrijf:
1. Draag alleen maar T-shirts van games of comics. Zelfs als er iets helemaal anders op je T-shirt staat, beweer dan toch dat het van een niet zo bekende comic komt. Want nerds zijn ook een beetje hipsters.
2. Loop altijd en overal rond met hardware. Je laptop, een muis of een USB-kabel doen het altijd goed. Neem je muis (of een of andere kabel) zeker ook mee als je gaat eten. Leg hem ook op tafel.
3. Noem een laptop of computer altijd een machine. Ook al weet je niet waarom.
4. Gebruik een brooddoos met een kleurige rekker. Misschien heb je die van in het lager nog liggen?
5. Vertel anekdotes over Steve Jobs alsof je er zelf bij was.
6. Gebruik sneltoetsen als stopwoordjes. En ik had zoiets van "Alt + F4"!
7. Dwaal midden in een gesprek plotseling af en doe alsof je heel hard aan het nadenken bent. Als iemand je vraagt waar je aan dacht, begin dan vlug te vertellen over al het werk dat je nog moet doen.
8. Gebruik de term OS, ook al ontdek je pas weken later waar dat eigenlijk voor staat. Zet ook steeds (eom)na het onderwerp in je mails omdat iedereen dat doet, ook al besef je pas na een week dat dat end of message betekent.
9. Beweer dat je in code gedroomd hebt. Als iemand iets vraagt over code, antwoord dan snel met een quote uit een film. Een zombiefilm doet het altijd goed.
10. Gebruik zoveel mogelijk afkortingen voor software, termen, merknamen, enz. Pas op, het is een begrijpelijke fout, maar db staat niet voor Deutsche Bahn.
Voilà, ziehier mijn tien tips voor een geslaagde eerste infiltratie. Volg ze goed op en niemand zal doorhebben dat je eigenlijk helemaal niets van de softwarebusiness afweet. Let er ook op dat je je vaak genoeg andere mensen nerds noemt achter hun rug, alsof je zelf geen ontzettende nerd bent. Dat is een gouden tip. Natuurlijk is al dat infiltreren een werk dat nooit af is. Ik moet me steeds bijscholen en op de hoogte blijven van de dynamiek in het bedrijf. Het is maar wat vermoeiend. Gelukkig valt het doen alsof ik werk reuzegoed mee, al wist ik natuurlijk wel op voorhand dat ik daar in uitblink. Tijd nu om me verder in te werken zodat ik lotgenoten kan steunen en verblijden met mijn nuttige tips.
Hoe geloofwaardig overkomen in een softwarebedrijf:
1. Draag alleen maar T-shirts van games of comics. Zelfs als er iets helemaal anders op je T-shirt staat, beweer dan toch dat het van een niet zo bekende comic komt. Want nerds zijn ook een beetje hipsters.
2. Loop altijd en overal rond met hardware. Je laptop, een muis of een USB-kabel doen het altijd goed. Neem je muis (of een of andere kabel) zeker ook mee als je gaat eten. Leg hem ook op tafel.
3. Noem een laptop of computer altijd een machine. Ook al weet je niet waarom.
4. Gebruik een brooddoos met een kleurige rekker. Misschien heb je die van in het lager nog liggen?
5. Vertel anekdotes over Steve Jobs alsof je er zelf bij was.
6. Gebruik sneltoetsen als stopwoordjes. En ik had zoiets van "Alt + F4"!
7. Dwaal midden in een gesprek plotseling af en doe alsof je heel hard aan het nadenken bent. Als iemand je vraagt waar je aan dacht, begin dan vlug te vertellen over al het werk dat je nog moet doen.
8. Gebruik de term OS, ook al ontdek je pas weken later waar dat eigenlijk voor staat. Zet ook steeds (eom)
9. Beweer dat je in code gedroomd hebt. Als iemand iets vraagt over code, antwoord dan snel met een quote uit een film. Een zombiefilm doet het altijd goed.
10. Gebruik zoveel mogelijk afkortingen voor software, termen, merknamen, enz. Pas op, het is een begrijpelijke fout, maar db staat niet voor Deutsche Bahn.
Voilà, ziehier mijn tien tips voor een geslaagde eerste infiltratie. Volg ze goed op en niemand zal doorhebben dat je eigenlijk helemaal niets van de softwarebusiness afweet. Let er ook op dat je je vaak genoeg andere mensen nerds noemt achter hun rug, alsof je zelf geen ontzettende nerd bent. Dat is een gouden tip. Natuurlijk is al dat infiltreren een werk dat nooit af is. Ik moet me steeds bijscholen en op de hoogte blijven van de dynamiek in het bedrijf. Het is maar wat vermoeiend. Gelukkig valt het doen alsof ik werk reuzegoed mee, al wist ik natuurlijk wel op voorhand dat ik daar in uitblink. Tijd nu om me verder in te werken zodat ik lotgenoten kan steunen en verblijden met mijn nuttige tips.
Abonneren op:
Posts (Atom)