Liefste afschuimers van het internet, het is weer gedichtendag! En dat is nog altijd de leukste dag van het jaar na Aswoensdag en Pinkstermaandag. Om deze dag te vieren, draag ik niet enkel de hele dag een feestelijk hoedje. Ik probeer ook al eens een gedicht te schrijven. Ik schrijf 'proberen', want zoals iedereen wel weet, gaat dat niet zomaar even vanzelf als bijvoorbeeld een rondedansje doen. Of een plafond behangen. Of een pompoen uithollen. Nee, dat gedichten schrijven, daar is nogal een inspanning voor nodig. Eenieder met een zekere inspanningsintolerantie (lees: inspanningsintolerantie) zal toch menig hinderpaal en struikelblok moeten verplaatsen om een dergelijke literaire klus te klaren. Het zal dan ook niemand verbazen dat voor het schrijven van gedichten toch wel wat aangeboren aanleg vereist is. Of ik deze aangeboren aanleg heb, laat ik even in het midden. Wat wel zeker is, is dat gedichten niet algemeen aanvaard worden als geniaal en prachtige parels van literaire pathos. Het is bijzonder spijtig dat niet iedereen inziet dat een brokje talige spitsvondigheid een verrijking van het leven is. Maar goed, laten we vooral niet stilstaan bij die diepdroevige kant van de zaak. Vooruit met de geit! Want met jammeren kan je niet rijmen. (Dat is echt zo, probeer het maar.) (Wat zeg je? Lammeren? Ahja, oeps.)
Zo, tijd nu voor mijn poëtische bijdrage aan de wonderlijke wereld van rijm en vers:
Vers rijmt op Pers.
Tapijt of poes?
Dat doet er niet toe.
Alsjeblieft, lieve volgers. Hopelijk zal dit geniale stukje poëzie de harten van de non-believers doen smelten. En ook de doorwinterde gedichtendagfanaat zal hier toch wel wat aangeboren aanleg in kunnen bespeuren. Met deze bescheiden woorden sluit ik af. Nog 364 dagen tot de volgende gedichtendag!
Tschüss.
donderdag 27 januari 2011
vrijdag 3 december 2010
Badass Babyyak
We stellen ons allemaal wel eens die vraag. Gewoon zomaar, omdat mensen al eens dingen in vraag stellen. Ikzelf heb ook al menige uren lang en hard nagedacht over de volgende kwestie: Als je zou mogen kiezen, welk dier zou je dan willen zijn? Welnu, na dat lange en harde nadenken, ben ik eindelijk tot een besluit gekomen. Misschien geen sluitend besluit, maar toch alleszins een beslissing. Het is niet de meest gemakkelijke beslissing die ik ooit genomen heb, dat moet ik er toch even bij zeggen. Lang niet zo makkelijk als bijvoorbeeld een studierichting kiezen of beslissen hoeveel schepjes koffie je best gebruikt. Nee, deze kwestie is een veel uitdagendere denkoefening. Waarom dat zo is, ligt nogal voor de hand. Er zijn namelijk ontzettend veel dieren om uit te kiezen en sommige dieren zijn gewoon echt niet cool. En wie wil er nu een oncool dier zijn? "Euh..." (tip: niemand.) "Ah, niemand?" Juist ja, niemand! Daarom moet je dus even stilstaan bij welke dieren cool zijn en welke niet. Meestal is het wel duidelijk dat een bepaald dier oncool is (dolfijnen bijvoorbeeld, of ijsberen, of naaktslakken), maar soms dus niet. Hoe stoer is het om een cavia te zijn? Of een forel? Moeilijke vragen, die je niet zomaar kan beantwoorden. En daarom dat zelfs ik -- ik probeer namelijk zo weinig mogelijk te denken -- toch even wat langer moest stilstaan bij welk dier ik zou willen zijn. Gelukkig twijfel ik nooit over dingen en dus, eens ik een dier gekozen had, wist ik dat ik bij mijn keuze moest blijven. Het is namelijk aan te raden niet op je beslissingen terug te komen. Terugkomen op dingen is een achterwaartse beweging en dat komt de Vooruitgang Der Dingen niet ten goede. En dus, nu ik besloten heb welk dier ik zou willen zijn, zal ik daar toch ongeveer 32 minuten zeker van blijven. "Welk dier heb je nu gekozen?" Wel, ik heb gekozen voor een yak, want een yak is eigenlijk de ultieme upgrade van een ander niet zo cool dier, de koe. En ook omdat een babyyak ("Wat een gek woord. Bestaat dat wel?" Shht, stil. Onderbreek mij niet.) oneindig veel stoerder is dan het gemiddelde babydier. Het grote probleem van babydieren is dat ze er dom en schattig uitzien, maar niets is minder waar voor de babyyak. Om toch maar eens beeldmatig te bewijzen dat ik gelijk heb, volgt hier een foto:

Zo. Deze badass babyyak spreekt voor zich. En durf hem maar eens tegen te spreken.
Tschüss!
PS: "badass babyyak" komt ongetwijfeld op de eerste plaats in mijn top 76 van Geweldig Geslaagde Alliteraties.

Zo. Deze badass babyyak spreekt voor zich. En durf hem maar eens tegen te spreken.
Tschüss!
PS: "badass babyyak" komt ongetwijfeld op de eerste plaats in mijn top 76 van Geweldig Geslaagde Alliteraties.
zaterdag 20 november 2010
Revolutionair theater
Ik heb een nogal merkwaardige buurvrouw. Eerlijk gezegd, ik heb een aantal merkwaardige buurvrouwen, maar in dit geval heb ik het over de overbuurvrouw. En ik heb maar 1 echte pal hier rechtover overbuurvrouw. Die ietwat merkwaardige overbuurvrouw stoft minstens vier keer per week alles af. Dat weet ik niet omdat ik al binnen geweest ben, maar wel omdat ze telkens (om de vijf minuten om precies te zijn) haar stofvod komt uitschudden op straat. Ik ga ervan uit dat ze geen koer of tuin heeft, ofwel vindt ze 't gewoon leuk zo, op straat wat stofschudden. Toch kan ik me niet van de indruk ontdoen dat het een bijzonder omslachtige manier van werken is, zo telkens naar de voordeur lopen met je vod en hem daar dan wat staan uitschudden. En al zeker om dat dan vier keer per week te doen. Maar het houdt haar wel fit, dat kan niet anders. Ik heb trouwens ook willen merken dat ze nog kan fietsen, en aangezien ze toch al tot de derde leeftijd behoort, is dat wel een hele prestatie. Sommige mensen van mijn leeftijd kunnen amper fietsen. Of ze zijn het verleerd omdat ze een auto hebben, weetikveel. Mijn overbuurvrouw heeft naast al dat afstoffen nog een andere vreemde hobby in haar huis. De kamer tegenover mijn kamer op de eerste verdieping is nogal een vreemde kamer. Er staat een grote kast met een spiegel, een tafel en een plastieken fles wasverzachter of strijkwater of nog iets anders. En dat lijkt zo wat alles dat er in die kamer staat. Iedere keer wanneer ze in de kamer op de eerste verdieping rondloopt, gaat ze vlug naar de knop van haar automatische rolluik en laat hem naar beneden. Dat vind ik persoonlijk nogal vreemd. En ook nogal stiekem. Daarom ben ik ervan overtuigd dat de fles strijkwater een afleidingsmanoeuvre is. Want zeg nu zelf, strijken bij kunstmatig licht? Dat is te gek voor woorden. En waarom laat ze die rolluik niet gewoon open? Het is toch niet alsof het een schandaal is dat ze daar staat te strijken? Al deze mysterieuze bedenkingen zorgen ervoor dat ik zeker weet dat mijn overbuurvrouw een of ander geheim iets te verbergen heeft. Misschien verzamelt ze gebruikte stofvodden om ze daarna te knuffelen? Misschien is ze een vampier en kan ze niet tegen daglicht? Of misschien houdt ze gewoon van het geluid van haar automatische rolluik en is ze simpelweg merkwaardig. Wie zal het zeggen? Ik alleszins niet, want ik heb het te druk met het bespioneren van mijn andere rare buurvrouwen en dat is bijzonder veel werk. Gelukkig is het niet te veel werk om ook mijn andere hobbies te onderhouden. Zoals het schrijven van toneelstukken bijvoorbeeld. Het liefst schrijf ik revolutionaire stukken met een echte boodschap. Het belangrijkste daarbij vind ik een zekere bondigheid en to the point blijven. Het is namelijk een kunst om met weinig woorden veel te zeggen en ik ben daar nogal goed in. Om dat even te bewijzen, deel ik met jullie mijn kortste toneelstuk tot nu toe, getiteld "De Vlaamsche Boerkens".
Scene 1: Drie mannen gekleed in een donkerblauwe overal staan op het podium. Zij worden enkel verlicht door drie witte spots. Twee van de drie staan tegenover mekaar over een dood varken gebogen. De derde zit meer op de voorgrond, aan de rechterkant.
Boer 1: Es 't duud?
Boer 2: 'T es duud.
Boer 3: Wadde?
Boer 2: Da 't duud es.
Doek.
Zozo.
Tschüss!
Scene 1: Drie mannen gekleed in een donkerblauwe overal staan op het podium. Zij worden enkel verlicht door drie witte spots. Twee van de drie staan tegenover mekaar over een dood varken gebogen. De derde zit meer op de voorgrond, aan de rechterkant.
Boer 1: Es 't duud?
Boer 2: 'T es duud.
Boer 3: Wadde?
Boer 2: Da 't duud es.
Doek.
Zozo.
Tschüss!
dinsdag 16 november 2010
Stasis
Ah, het leven van de werkzoekende. Wat een uitdagende en verkwikkende bezigheid. En geloof me maar, dat je bezig blijft! Surfen, lezen, mailen, motiveren. Kortom, het is me wat dat 'solliciteren'. Toch klopt het plaatje niet helemaal, want werkwoorden die eindigen op -eren, vereisen meestal net dat beetje meer activiteit. (Dat klopt niet helemaal, maar daar lezen we even over.) 'Begeren', 'decanteren', 'fulmineren', 'alarmeren' en ga zo maar door. Al die werkwoorden zijn duidelijke voorbeelden van de doe-woorden, die we kennen uit de lagere school. Hoe kan het dan dat solliciteren ook eindigt op -eren? Dat hoort niet. Daarom zal ik solliciteren vanaf nu sollicitezen noemen. Of solliciteven. Of solliciteten. Ik ben er nog niet helemaal uit, want het klinkt allemaal maar wat belachelijk. Dat werk zoeken is soms ook wel wat belachelijk. In principe moet je er niet zo veel voor doen, en toch is het vermoeiend. Nog zo'n tegenstrijdigheid waarvan mijn bloed gaat koken. Al die tegenstrijdigheden, een mens zou er onzeker van worden. Natuurlijk is er een belangrijke remedie voor existentiële onzekerheid en dat is simpelweg minder nadenken. Als je niet nadenkt, dan zijn de dingen ook veel minder ingewikkeld, logisch toch? Nee, denk daar maar niet over na. Daarom heb ik besloten niet meer na te denken over het werk zoeken of over talige tegenstrijdigheden. Vanaf nu laat ik alles op me afkomen. Gedaan met actie ondernemen en peinzen, overpeinzen, twijfelen, weifelen, enzovoort enzoverder. Omdat "wie zoekt, die vindt" ook maar gewoon een album van Jommeke is. En zo is het maar net.
Tschüss!
Tschüss!
donderdag 28 oktober 2010
Existentie en exponentie
Het was een doordeweekse dag, waarop ik helemaal niets gepland had en dus gewoon thuis zat. Het was niet echt een saaie dag, maar ook geen hoogvlieger, daar moet ik eerlijk over zijn. Op zo van die doorsnee dagen zonder specifieke invulling durf ik al eens een ietwat vreemde outfit dragen. Dat doe ik niet opzettelijk, het is iets dat me veeleer zomaar overkomt. En dus op deze doodgewone dag waarop ik een ietwat bijzondere outfit droeg, dronk ik koffie en las ik de krant. Dat doe ik wel vaker, op allerlei soorten dagen. Terwijl ik daar zo zat en het droeve nieuws van het overlijden van Octopus Paul probeerde te vatten, werd er plotseling aangebeld. Gezien mijn klederdracht en mijn doordeweeksheid verwachtte ik helemaal geen bezoek en dus gluurde ik even door het raam vooraleer ik opendeed. Ik zag een arm in een dikke, felrode, gewatteerde regenjas. Dikke, rode jassen zijn de werkkleren bij uitstek voor vervelende verkopers en meterstandopnemers allerhande en dus keek ik toch nog eens door het spionnetje in de deur voor ik opendeed. Ik heb namelijk een hekel aan verkopers en nog meer aan meterstandopnemers allerhande, en daarom weet ik liever wat voor gezicht ik te zien zal krijgen als ik de deur dan ook daadwerkelijk opendoe. In dit geval stond er een oudere dame op de stoep, met korte muisgrijze haren en een zilveren brilmontuur. Oudere dames kan je niet voor de deur laten staan (dat hoort niet) en dus deed ik open. Ze stelde mij meteen de vraag welke van de namen op de deurbel de mijne was ('Michiel' had ze zelf al uitgesloten) en begon een aardig gesprekje over nietvaakvoorkomendenamenenhoeleukdatwelnietis. Ik ging er welwillend in mee, want mensen praten graag over namen, of je nu Liesbeth of Loveday heet. Toen we daar zo ongeveer over uitgepraat waren, begon ze over iets helemaal anders. Ze zei dat de wereld tegenwoordig toch zo wreed was en zo enorm veranderd, en toen vroeg ze me of ik dacht dat deze wereld zou blijven bestaan. Ondertussen spotte ik een aantal brochures in haar hand, met de welluidende titel: "ZAL DEZE WERELD BLIJVEN BESTAAN?" Ze week alleszins niet af van de vakliteratuur, zoveel was duidelijk. Aangezien ik niet goed wist wat te antwoorden op zo'n belangrijke en prangende vraag, keek ik haar ietwat verbaasd aan. Daarop voegde ze eraan toe of ik daar, op mijn leeftijd, misschien nog niet veel over nadacht? (Het lijkt op het eerste zicht misschien wat vreemd dat ze refereert naar "mijn leeftijd", maar ik word wel vaker 12 jaar oud geschat. Mijn therapeut zegt dat ik het me niet te veel moet aantrekken.) Ik mompelde een incoherent antwoord over dat ik niet dacht dat de wereld zou verdwijnen en hoe alles steeds zou blijven veranderen. Ze keek me schaapachtig aan en gaf me één van haar brochures, "om er nog wat verder over na te denken." Boeiend. Terwijl ik de deur sloot, voegde ik in mijn hoofd ook getuigen van Jehova toe aan het lijstje van dragers van rode, gewatteerde regenjassen. Die informatie is zeker nog goed voor later. Ik bekeek de brochure en nogmaals werd mijn aandacht gegrepen door de gigantische titel: "ZAL DEZE WERELD BLIJVEN BESTAAN?" Dat is eigenlijk een bijzonder interessante vraag, als we even het hoge Jehovagehalte ervan negeren. Meteen nestelde ik me neer op het tapijt om daar even over te mediteren. Dat mediteren is een nieuwe hobby van mij en het blijkt meteen een bijzonder aangenaam tijdverdrijf te zijn. In mijn top63 van aangenaam tijdverdrijven, komt mediteren zeker op de 12de plaats. Na enkele uurtjes in diepe meditatie verzonken te zijn, besloot ik de brochure bij het oud papier te gooien en een groot stuk appeltaart te eten (plaats 34) en vervolgens iets helemaal anders te gaan doen (plaats 7). Omdat mijn doordeweekse dag helemaal niet meer zo doordeweeks was, moest ik immers andere kleren gaan aandoen. Wat ik daarna gedaan heb, ontgaat mij volledig en zal dus bijgevolg wel heel wat boeiender geweest zijn. Ik zal er een volgende keer eens over mediteren en jullie op de hoogte houden. Tijd nu om mijn plastieken geitje te aaien (plaats 5).
Tschüss!
Tschüss!
Abonneren op:
Posts (Atom)